Armoede: verleden, heden en toekomst

Door Redactie Wakibi op 5-9-2016

Waarom microkredieten

Bij het vaststellen van de nieuwe 17 Global Goals van de Verenigde Naties in 2015, is het armoedeprobleem als belangrijkste doel op de mondiale agenda gezet. In het pas verschenen boek The Economics of Poverty: History, Measurement and Policy, bespreekt schrijver Martin Ravallion debatten over het verleden, heden en toekomst van de armoede in arme en rijke landen. De belangrijkste lessen die in het boek naar voren komen bij het denken en handelen over armoede zijn:


Foto: Een zoon van een Indiase boeren familie maakt het eten klaar - © REUTERS/Desmond Boylan


Bij het vaststellen van de nieuwe 17 Global Goals van de Verenigde Naties in 2015, is het armoedeprobleem als belangrijkste doel op de mondiale agenda gezet. Niemand mag in 2030 nog in extreme armoede leven. Onder de millenniumdoelen betekende extreme armoede dat iemand minder dan 1,25 dollar per dag te besteden heeft. De Wereldbank heeft deze grens in 2015 verlegd naar 1,90 dollar per dag. In 2012 leefde 12,8 procent van de wereldbevolking onder de grens van 1.90 dollar. Dit zijn 896 miljoen mensen. In 1990 leefde nog 37 procent van de wereldbevolking, of 1,95 miljard mensen onder deze grens. De verwachting is dat dit aantal in 2015 is gedaald naar 9,5 procent of 702 miljoen mensen van de wereldbevolking. Lees hier ook meer over achtergrond van global goal nr. 1: einde aan armoede.


Verleden, heden en toekomst van de armoede

In het pas verschenen boek The Economics of Poverty: History, Measurement and Policy, bespreekt schrijver Martin Ravallion debatten over het verleden, heden en toekomst van de armoede in arme en rijke landen.

Het boek streeft naar een toegankelijke synthese van economisch denken over belangrijke vragen als:
• Hoe wordt armoede gemeten?
• Hoeveel armoede is er?
• Waarom bestaat armoede?
• Wat kan worden gedaan om armoede te verkleinen of zelfs te elimineren?

De belangrijkste lessen die in het boek naar voren komen bij het denken en handelen over armoede zijn:
 

Een transitie in denken

Bij het analyseren van de geschiedenis van het denken over armoede werd de schrijver getroffen door de veranderingen in de publieke opinie in de afgelopen 200 jaar. We zien een transitie in de literatuur en beleidsdiscussies tussen twee radicaal verschillende standpunten over armoede. Voorheen bestond er weinig aanleiding om te veronderstellen dat arme mensen het potentieel hadden om iets anders te zijn dan arm; armoede zou onvermijdelijk blijven voortbestaan. Prominente denkers betoogden zelfs dat armoede noodzakelijk was voor economische vooruitgang. Want wie gaat zonder armoede de akkers bewerken, in fabrieken werken, en het leger van soldaten voorzien? Het vermijden van honger was de noodzakelijke stimulans voor het doen van dit werk.
 


Deze manier van denken schiep ruimte voor een beleid van bescherming tegen grote schokken, en zorgde voor sociale stabiliteit in de nasleep van mogelijke crises. De motivatie voor een anti-armoede beleid gaat meer dan 2000 jaar terug in het gedachtegoed van zowel Oost als West. Terwijl de noodzaak van sociale bescherming vooral goed werd begrepen door de elite, neigde hun steun in normale tijden te vervagen. In tijden van crisis moest die steun vaak worden hersteld. Massale armoede werd echter vooral als vanzelfsprekend beschouwd. Behalve korte termijn lapmiddelen om schokken op te vangen was er weinig of geen ervaring met publieke inspanningen om armoede blijvend terug te dringen. Vooruitstrevend anti-armoede beleid werd door machthebbers niet als zinvol ervaren. 

In de tweede, moderne visie op armoede, wordt armoede niet alleen gezien als een maatschappelijke ziekte die kan worden voorkomen door publiek beleid. Een dergelijk beleid past ook perfect in een robuust groeiende economie. Sterker nog, van het juiste anti-armoede beleid kan worden verwacht dat het bijdraagt aan die groei, door het opheffen van de materiële beperkingen van mensen die hun eigen economische belangen nastreven. Armoede werd niet langer gezien als een onvermijdelijke, zelfs natuurlijke, staat van zijn. Maar als iets dat kan en moet worden afgeschaft.

De overheid kreeg de belangrijke rol om ervoor te zorgen dat alle mensen toegang kregen tot essentiële materiële condities die beantwoordden aan hun persoonlijke behoeften. Misschien was de belangrijkste behoefte gelijkwaardigheid, maar zeker ook ontsnapping uit de armoedeval. Armoedebeleid werd gezien als een zaak van stimulering en bescherming. Stijgende reële lonen, en (dus) de mogelijkheid voor arme mensen om geld te op te sparen, openbaar onderwijs, goede gezondheidsprogramma’s en redelijk goed functionerende financiële markten, werden beschouwd als noodzakelijke ingrediënten voor de volgende generatie om aan de armoede te ontsnappen. Voorgoed. 
 


         Foto: © amciv 
 

Deze overgang in denken bracht veel strijd met zich mee. Er kwamen veel mensen protesteren, ze sloten zich aan bij gemeenschappen of bij religieuze groepen, vakbonden en burgerrechten bewegingen. Of bij politieke coalities van de een of andere soort, om te lobbyen voor regeringssteun voor het bestrijden van chronische armoede in tal van verschijningsvormen. Het verzet tegen hun inspanningen was vaak hevig, en een groot aantal dappere mensen offerden door de eeuwen heen hun vrijheid en zelfs hun leven.

Succesvolle propagandaacties hadden tijd nodig om te evolueren, en werden steevast ondersteund door de politiek. In de loop van de tijd ontstond er in succesvolle landen een duurzame en -een (geleidelijk) zichzelf versterkende- cyclus om een snelle ontsnapping uit de absolute armoede te bevechten. Succes bij het uitvoeren van een gedeeltelijk anti-armoede beleid leverde vaak resultaten op bij het veilig stellen van een bredere maatschappelijke aanpak, en het bij het implementeren van nieuwe initiatieven.

Ferdinand Domela Nieuwenhuis was een Nederlands politicus, sociaal-anarchist, en antimilitarist. Domela Nieuwenhuis geldt als een van de oprichters van de socialistische beweging in Nederland. Nieuwenhuis heeft een felle strijd gestreden om de positie van de armen te verbeteren. Zie ook Wikipedia voor meer infromatie over Nieuwenhuis.

In sommige periodes is de vooruitgang traag geweest, en af toe brak de cyclus, met tal van tegenslagen. De geschiedenis van het denken en handelen laat voldoende illustraties zien van de kwetsbaarheid van de vooruitgang die was behaald. Elke stap voorwaarts werd gevolgd door een terugslag in denken en in de beleidsvorming. We zien dit vandaagdedag nog steeds, waar arme mensen zelf verantwoordelijk worden gehouden voor hun armoede, en zelfs worden gecriminaliseerd. Maar, als we inspanningen tegen armoede ondersteunen, is het belangrijk om ook de vooruitgang te erkennen die al is geboekt.
 

Vooruitgang in de strijd tegen armoede


In het nieuwe millennium leven ongeveer een miljard mensen in armoede. (Volgens de normen van wat “armoede” in de armste landen betekenen). Hoewel de cijfers verre van ideaal zijn, en voor zover die juist kunnen worden vastgesteld, waren er 200 jaar geleden óók een miljard arme mensen. Het verschil is dat toen vier van de vijf mensen in de wereld arm waren, terwijl dat nu een op de vijf is.
 


Data © wikia
Bij deze telling is uitgegaan van een inkomen van minder dan $ 1,90 per dag.
 

Sinds 2000 is in de derde wereld het cijfer van extreme armoede per jaar met een procentpunt gedaald. En dat is meer dan drie keer het jaarlijkse gemiddelde van de wereld als geheel gedurende de laatste 200 jaar. Als de vooruitgang kan worden gehandhaafd, zal de derde wereld tenminste de meest extreme vormen van armoede in een veel kortere tijd elimineren dan de rijke wereld van nu dat heeft gedaan. We moeten echter niet veronderstellen dat het nieuwe tempo van de vooruitgang in de ontwikkelingslanden automatisch zal worden voortgezet. Daar is goed beleid voor nodig, en een zekere mate van geluk.

Om armoede gericht te kunnen bestrijden zijn adequate statistieken nodig over regionale welstandverschillen. De meeste ontwikkelingslanden beschikken door gebrek aan middelen voor onderzoek, of door andere prioriteiten, niet over dergelijke gegevens. Internationale organisaties gebruiken tegenwoordig satellietbeelden omdat dit veel gedetailleerdere data oplevert. 

Satellietbeelden kunnen armoede in kaart brengen
 


Beeld uit filmpje Youtube: Combining satellite imagery and machine learning to predict poverty
 

Je kunt problemen in de wereld alleen oplossen als je weet waar ze zijn. Daarom is het voor de VN van cruciaal belang om, bijvoorbeeld wat de armoede in Afrika betreft, met betrouwbare en nauwkeurige cijfers te werken. Maar het verzamelen van deze gegevens op de grond kan gevaarlijk zijn, langzaam en kostbaar. Een onderzoek met behulp van satellietbeelden en nieuw ontwikkelde software levert een interessant alternatief op: het in kaart brengen van armoede vanuit de ruimte.

Krachtige camera's op satellieten maken constant foto's van de aarde. Wetenschappers hebben zich afgevraagd of armoede door het analyseren van de beelden kan worden gedetecteerd door het uitsluitend analyseren van de beelden. 

De eerste pogingen om dat te doen maakten gebruik van nachtelijke beelden van de planeet. De gloed van elektrische verlichting schetste een schitterende kaart van de infrastructuur van een regio, en lieten zien waar de rijken en armen ongeveer leven.  

Maar ’s nachts ziet een gebied met een redelijk gemiddelde welstand er niet veel anders uit dan een gebied met absolute armoede
Vervolgens werden beelden die overdag waren gemaakt geanalyseerd. Ook die tonen slechts subtiele verschillen tussen de regio's van de absolute en matige armoede. Beide kunnen modderige, onverharde wegen hebben die door clusters van kleine woningen kronkelen.

Maar overdag zien we ook beelden van andere belangrijke indicatoren: Hoe ver is de dichtstbijzijnde waterbron, of de dichtstbijzijnde stedelijke markt? Waar zijn de akkers?

Het trekken van conclusies uit deze subtiele details ligt buiten de competentie van hoog opgeleide menselijke experts. Maar misschien niet buiten dat van een computer. Het trekken van conclusies uit dergelijke grote hoeveelheden variabelen is echter een klassieke uitdaging voor “een lerende machine”. Het onderzoek richtte zich op vijf Afrikaanse landen: Nigeria, Tanzania, Oeganda, Malawi en Rwanda. In deze landen leven grote delen van de bevolking in absolute armoede. Bovendien zijn er over deze gebieden statistische gegevens bekend waar computers nauwkeurige conclusies uit kunnen trekken. De satellietbeelden van overdag zijn aanzienlijk beter, (81% nauwkeuriger), voor het in kaart brengen van armoede, dan de nachtelijke foto’s.
 


Overdag gemaakte satellietfoto’s, zoals deze, op de grens van rijke en arme wijken in Nairobi,
zijn veel bruikbaarder voor het in kaart brengen van armoede dan nachtelijke foto’s.
Foto: © lightyear105/iStockphoto - bron:
Science 18 augustus 2016 

Uitdagingen voor het elimineren van extreme armoede


Er zijn twee mogelijke routes die leiden naar het elimineren van extreme armoede. Een pessimistische ‘lage prioriteit aanpak’, die er op neer komt dat de ontwikkelingslanden buiten China terugvallen naar de relatief trage vooruitgang van de jaren tachtig en negentig. Via deze aanpak zou het nog eens 50 jaar of langer duren om mensen op te tillen uit de armoede. Dat zou zeker een slechte keuze zijn.

Daarentegen zal een ‘optimistisch pad’ ervoor zorgen dat de groei van de ontwikkelingslanden als geheel, die er is sinds het jaar 2000, gehandhaafd blijft, zonder stijging van de totale ongelijkheid. Als dat zou kunnen worden bereikt, kunnen we er redelijk zeker van zijn dat rond het jaar 2030 de extreme armoede van een miljard mensen zal zijn opgeheven.

Wat zijn de belangrijkste uitdagingen voor deze tweede aanpak? Op de lijst van bedreigingen die deze doelstelling zouden kunnen torpederen is ongelijkheid een van de belangrijkste factoren. Toenemende ongelijkheid kan betekenen dat de economische groei aan arme mensen voorbij gaat. Dit is al gebeurd in een aantal landen van de rijke wereld, waaronder in de Verenigde Staten. En de verschillen tussen ontwikkelingslanden zijn groot. Ongelijkheid in ontwikkelingslanden kan zowel groeien als dalen. Het is voor landen met een hoge ongelijkheid moeilijker om armoede te verkleinen, omdat ze een hogere groei nodig hebben dan landen met een lage ongelijkheid.

Bij het denken over de gevolgen van het beleid is het belangrijk om ongelijkheid uiteen te rafelen om de specifieke omvang vast te stellen, om daarmee een beleid te kunnen ontwikkelen dat relevant is voor armoedebestrijding. 

 


Foto: © educationinafrica 


In veel ontwikkelingslanden is sprake van ongelijke toegang tot onderwijs en tot goede gezondheidszorg. (En daar hoort ook de onzekerheid bij over rechten op land). Genderongelijkheid doet zich overal voor. In bredere zin dan het bezit van materiële goederen.

We moeten erkennen dat het dossier van de ontwikkelingshulp onevenwichtigheden vertoont, en niet altijd weloverwogen is in het licht van wat we hebben bijgeleerd over de economische aspecten van armoede. Bijvoorbeeld: een gemeenschappelijk visie onder donoren is dat ze een beter beleid zullen moeten bevorderen – waarbij een goede inzet wordt beloond, en een slechte inzet wordt bestraft. Dit is een riskante strategie, en dit kan er toe leiden dat kwetsbare staten nog verder op achterstand geraken.


"Ongelijkheid’’ neemt vele vormen aan


Ongelijkheid wordt door mensen soms heel anders ervaren. Het onderwerp leidt tot veel discussies. Soms lijkt het op een debat tussen twee schepen die in het holst van de nacht langs elkaar heen varen, en elkaars perspectief niet kunnen zien of begrijpen.

De verschillen in hoe ongelijkheid wordt waargenomen kan de economische ontwikkeling ook vertragen. Een goed voorbeeld is de reactie die sommige mensen (begrijpelijkerwijs) hebben op de groeiende absolute ongelijkheid. De eens zo wijdverbreide ‘modieuze opvatting’ over ontwikkelingshulp beweerde dat een grotere relatieve ongelijkheid nu eenmaal de onvermijdelijke ‘prijs’ is voor groei. En (dus) dat het verlagen van armoede, in het licht van nieuwe theorieën en bewijzen, achterhaald zou zijn. 

Slecht groeiende economieën kunnen leiden tot een onbedoelde stijging van relatieve ongelijkheid, maar het is daar nog moeilijker om het stijgen van de absolute ongelijkheid te vermijden – een groeiende absolute kloof tussen de rijken en de armen. Veel burgers zien ongelijkheid eerder in absolute dan in relatieve termen. Dat standpunt mogen ze innemen; het concept van (relatieve) ongelijkheid, waar de meeste economen van uitgaan, komt voort uit het axioma dat het niet geaccepteerd worden (inderdaad) door veel mensen lijkt te worden afgewezen. Degenen die ongelijkheid als absoluut beschouwen, en dit zien als los staand van armoede, zullen een wisselwerking zien tussen armoede en ongelijkheid. Stijgende toename van absolute ongelijkheid zal bijna zeker armoede met zich meebrengen.
 

Stedelijke armoede is een andere uitdaging


De urbanisatie van de armoede, waarbij de armoedecijfers langzamer dalen in stedelijke dan in landelijke gebieden, doet zich in vrijwel elk ontwikkelingsland voor waarin de gemiddelde armoede is gedaald. Stedelijke economieën scheppen nieuwe kansen. En dat is iets waar mensen in landelijke gebieden behoefte aan hebben om hun levens te verbeteren. Verstoorde stedelijke arbeidsmarkten kunnen leiden tot excessieve verstedelijking. En dat geldt ook tot een tekort aan pogingen van de overheid om landbouw en plattelandsontwikkeling te bevorderen. Sterker nog, veel ontwikkelingslanden bevorderen, (nadrukkelijk of anderszins), het opleggen van belastingen aan de plattelandseconomie om de stedelijke economie te ondersteunen.
 


Foto: © businessdailyafrica  


Het staken van de al lang bestaande aanpak op het gebied van zowel belastingen als van overheidsuitgaven is van groot belang voor een stimulerend armoedebeleid. Niet minder misleidend zijn de beperkingen inzake migratie en stedelijk beleid, die uitgeklede diensten verlenen aan stedelijke inwoners, evenals aan landelijke migranten. Arme mensen zitten meestal gevangen als slachtoffers van beleid dat tegelijkertijd de landbouwsector onder druk zet, en landelijke migranten de voet dwars zet. De ontwikkeling van beleidsvormen in de richting van deze twee sectoren moet neutraler. Dat zal waarschijnlijk nog steeds leiden tot urbanisatie van de armoede, maar is geen reden tot alarm, zolang de gemiddelde armoede maar blijft dalen.
 

Relatieve armoede


De andere kant van de medaille bij het vervallen tot absolute armoede is de stijging van de relatieve armoede. Economische groei leidde gewoonlijk tot lagere absolute armoede, maar in de loop van de tijd zijn de relatieve, bijkomende verschijnselen belangrijker geworden. Relatieve armoede is nog steeds armoede. Welzijn heeft betrekking op relatieve deprivatie. En de kosten van sociale integratie worden hoger als de inkomens in ontwikkelingslanden stijgen. Maar de verbetering van relatieve armoede verloopt langzamer. Zelfs het optimistische pad heeft betrekking op ongeveer een miljard mensen in de wereld die net boven de armoedegrens leven, wat kenmerkend is voor de armste landen. Maar ze zijn nog steeds arm volgens de normen van het land waarin ze leven. Deze soort armoede kan worden geëlimineerd. Maarvoor daar zijn vrijwel zeker een krachtiger herverdeling van inspanningen nodig dan we tot nu toe in de meeste landen hebben gezien.

De gewenste aanpak is bekend. De grotere uitdagingen die voor ons liggen hebben betrekking op de politieke wil en op de bestuurlijke vaardigheden, om een gezond anti-armoede beleid toe te passen. Aanpassing aan plaatselijke omstandigheden zal noodzakelijk zijn, evenals evoluerende kennis over hun werkzaamheid.


Landbouw en veeteelt!


Bij het bestrijden van armoede in de wereld is de rol van de landbouw en veeteelt essentieel. Een goed functionerende sector levert voedsel op voor veel mensen. Ook voor de stedelijke bevolking in het land van herkomst. Via deze link maakt u kennis met bijna tweeduizend ondernemende Wakibi leners uit de landbouw en veeteelt, van over de hele wereld. Aan wie gaat ú € 25,- lenen?

Met een lening lossen we niet alle problemen op.
Maar er wordt wèl een stap gezet.


Wakibi

Wakibi is een platform waar leners en Nederlandse uitleners op eenvoudige wijze bij elkaar worden gebracht. Als onderdeel van een keten is elke schakel van belang. Centrale rol in de keten is het Amerikaanse Kiva. Wakibi betrekt haar leningen van Kiva en stemt deze af op Nederlandse doelgroepen.

Strijd tegen armoede en recht op een normaal leven - Wakibi zet zich ook in voor Global Goal # 1

Wakibi is in veel landen actief met het verstrekken van microkredieten aan kleine ondernemers. De ondernemers waarmee u kennis maakt op het platform, spelen een actieve rol in hun gemeenschap. Als hun leendoel is bereikt, zullen ze beter in staat zijn om met hun bedrijvigheid meer geld te verdienen, voor hun gezin te zorgen, betere scholing en medische zorg te betalen. Ze hebben een voorbeeldfunctie in de locale samenleving, en zullen mogelijk anderen inspireren om hun voorbeeld te volgen: het nemen van initiatieven om door middel van ondernemerschap hun leefsituatie te verbeteren.

Redactie Wakibi 2016 - Hansjelle Dijkstra
e: pers@wakibi.nl